De keer dat ik bij de volkstuintjes een wak in het ijs groter maakte om de vele stikkende karpers meer lucht te geven en een eigenaar van een huisje mij de huid volschold omdat ik zijn paaltje ervoor had gebruikt.
De keer dat er een mercedes stopte met een man die vertelde dat je je handen warm kon houden door te wrijven en om zich heen keek en zei dat je ze ook zo tussen je liezen kon houden. En die me toen leerde dat je bij de warme uitlaat van het afvalwater grote karper kon vangen door een broodkorst steeds uit te knijpen dat er geen lucht meer in zit dat hij langzaam zinkt en dat de karper hem dan langzaam naar binnen zuigt.
De keer dat een man mij vroeg of ik met hem mee ging naar huis want daar had hij een prachtige blauwe hengel voor me en dat ik dat gelukkig niet gedaan heb want ik had al een goede hengel.
De keer dat ik op een water waar je normaal 1 a 2 karpers vangt er veertien ving waarvan een bepaalde karper drie keer omdat het dreigde te gaan onweren.
De keer dat ik op 1 been gehurkt in het weiland zat met de hengels onder water omdat het was gaan onweren.
De keer dat de bliksem tien meter naast me in een lantaarnpaal sloeg.
De keer dat ik even niet oplette en een meeuw aan mijn korst had en hem moest onthaken.
De keer dat er een zwaan door mijn lijn zwom, in de war raakte en er pas na tien minuten uit los kwam.
De keer dat bij een nachtsessie een rat op mijn voet klom.
De keer dat ik een uur een weiland was ingelopen en de koeien al mijn brood hadden opgegeten.
De keer dat ik een snoek van een meter ving, mijn eerste en enige tot nu toe, die een gezwel op zijn buik had ter grootte van een voetbal waar maaien in zaten.