De gesloten tijd. Ah. Deze woorden onsluiten een wereld van diep, diep, vissers leed. Ik was verslaafd. Ooit. Nu gaat het goed, ik ben volwassen, ik kan er mee omgaan. Maar er was een tijd dat de eerste sneeuwbui alles in mij wakker maakte. Ik moest vissen. De eerste sneeuw. Windkracht 10. Ik moest vissen. Dit was bijzonder. Nu gingen ze zeker bijten. Onweer. Vissen. Alles opzij, dit was 100% vanggarantie. Hagel. Een regenboog. De eerste wulp. Nieuwe maan met wind uit het westen. 10 graden in november. Als saturnus door ascendant jupiter ging.
U begrijpt. Er was altijd een reden om te gaan. Maar eentje was onhoudbaar verschrikkelijk erg. De eerste lentedag. In april was er altijd een dag dat het opeens 24 graden was. Dat je in je t-shirt over straat kon. Dat de hele wereld schreeuwde van het nieuwe leven. En dan moest ik vissen. Maar dat mocht niet. Van de gesloten tijd. Ik ging kapot. Er was geen opvang, niemand begreep je, de huisarts lachte je uit. Geen prozac, viagra, niks. Je moest je maar redden. Ik ben door een hel gegaan. Ik vond de gesloten tijd een uitvinding van satan zelf. Om ons te testen. En ik zakte elk jaar. Ik hoorde de karpers smakken aan de slootkanten, ik zag snoeken uitgehongerd jagen, baksteen grote ruisvoorns over elkaar heen springen. Ik begrijp dat je de vissen soms met rust moet laten, dat ze moeten voortplanten. Maar niet op alle dagen.
Als ik ooit met een doorgeladen UZI de tweede kamer binnenstorm en Wilders en Rita en weet ik wie afslacht, dan is de enige reden de opgebouwde frustratie van al die jaren gesloten tijd. Als ik ooit een conducteur van de NS in elkaar sla, iemand van UPC zijn kaak breek, een cassiere uitscheldt, of welke woede uitbarsting dan ook, prive of in het openbaar. U weet het nu. Of als dit mijn laatste column is. De gesloten tijd.