Vissen is voor iedereen. Vind ik. Echt. Maar nou stond ik op de pier van Ijmuiden een doos Zagers aan de krabben te voeren. Voor het eerst. Ik ben namelijk niet zo’n zeevisser. Ik heb zo’n vooroordeel dat het allemaal grove visserij is met grove mensen. Wat natuurlijk nergens op gebaseerd is. Ik ben net voor de zesde keer door een zager gebeten en onder gescheten als ik zie dat een beroepsvisser aan de vaargeul zijn netten uitzet. Lekker zonnetje, iets om naar te kijken.
Ik vond dat zelf positief. Waar netten staan komt vis. Want je kan een hoop van die beroeps vissers zeggen, wat ik graag doe, maar ze zijn niet debiel.
Briesend komt een sportvisser de pier op lopen.
Kijk die kankerhond nou. Met zijn netten. Kapot mot ie. Kankerhond.
Ik was allang blij dat er in ieder geval iets gebeurde. Ik sprak de man, die er uitzag alsof er al jaren zagers over hem heen scheiten, aan. Ik vraag, maar die kankerhond mag toch ook vissen?
Ja maar ze verpesten het voor ons, en dan blijf je in die netten hangen.
Ik zeg, maar die kankerhond zet zijn netten langs de vaargeul. Dat is zeker 300 meter ver weg. Hoe gooi je zo ver?
Ze moeten ons met rust laten en wij moeten hier toch rustig kunnen vissen.
Ja maar u kunt toch aan de zeekant vissen? Daar heeft die kankerhond geen netten staan. Dan kunt u rustig vissen en die kankerhond kan rustig vissen en dan kunnen we allemaal rustig vissen.
Je zag hem malen. Hij wist zeker dat het een kankerhond was maar niet meer waarom.
Net als in tekenfilms, dat een konijn heel hard rent, boven een afgrond nog even doorloopt en dan pas ziet dat er geen grond meer is.
Alsof er een zager in zijn hoofd had gescheten.