• Slot

    het-visblad-slot1

    Wat is angst. Grappig hoe iets van te voren ondoordacht of irrationeel gedrag is en je het toch doet.
    Daar stond ik dan. Tot over mijn middel in een smoezelige zijtak van de amazone rivier. Op een plek waar we twee uur geleden de piranja’s als aas hadden gevangen. In gevecht met een enorme Arapaima. Gelukkig was ik niet alleen. Juul en Arnout waren ook in het water. Voor de foto’s en het filmpje. Maar het blijft raar. Er zaten ook kaaimannen. Die waren alleen ’s nachts actief. Zei de gids. De piranja’s zijn het gevaarlijkst. Als je ze vangt moet je ze snel binnen halen want de andere piranja’s voelen dat ie gewond is en duiken erop. Regelmatig haal je alleen een grote kop binnen en is het lichaam er tot aan de kiewen door zijn eigen familie afgevreten. In 20 sec. En dan nog moet je oppassen want hij blijft bijten. Terwijl er toch nauwelijks nog iets over is om te verdedigen.
    Je moet het water in anders verlies je de vis. En na acht uur vliegen naar New York, wachten, zes uur vliegen naar Georgetown, Guyana, wachten, binnenlandse vlucht, en een ritje in een auto, twee dagen varen en slapen in een hangmat is die vis behoorlijk belangrijk geworden. Nummer 1 zeg maar. Je risico analyse loopt spaak. Dat beest moet eruit. En als ik er dan in moet, dan moet dat maar. Zoveel stekelroggen zitten hier niet. Dus je zakt uit de boot in die bruine soep, je voelt de achterkant van je hengel in je ribbel beuken en je geniet van het moment. Er is geen andere keuze. Heerlijk. Voldongen feiten. Vissen is soms een beetje oorlog. Je moet sommige dingen gewoon doen en later als je de foto’s terug ziet denk je, ja, best stom. Maar dan zien andere mensen de foto’s en vragen, zaten er geen piranja’s, en dan is het zo stoer. Ja, die zaten er. En veel. En heel gezond. Opeens ben je een man met een verhaal.
    Dertig minuten later sta ik met honderd kilo Arapaima in mijn handen. Te groot, te veel, te zwaar. Niet te bevatten. Voor mijn leven verpest.
    Op je tiende fiets je om vier uur ’s ochtends langs de Amstel met een rammelende viskoffer naar een rietkraag. Je hart bonst in je keel van de verwachtingen. Het seizoen begint. Voerplekkie gemaakt. Niet geslapen van de opwinding. En om negen uur zit je te knikkerbollen aan het water omdat de eerste visdag voor de meeste vissen een gekende rustdag is. Of het is ramadan onder water en ze mogen niet eten. Op je vijftiende heb je je volledige zakgeld aan Unox Smac opgemaakt. Dat moest van Rini. Drie weken voeren, diep in de nacht omdat anders De Concurrentie je stek zou kunnen vinden. En uiteindelijk vang je drie brasems en 1 karper van zestig centimeter. Werkt in brabant beter dan in de randstad.
    Op je twintigste wil je neuken dus schiet het vissen er een beetje bij in.
    Op je dertigste is het zomers sluipen en broodkorsten. En elk jaar een winterslaap.
    En op je veertigste kom je Juul Steyn tegen en Arnout Terlouw en ben je de lul.
    Ik heb in Suriname een Laulao meerval van 95 kilo gevangen, ik heb in Nicaragua honderden Tarpon langs de boot zien rollen en niks gevangen, in Senegal kleine kuttige knorrende slijmvissen die alles aten, alles, en ik was verloren.
    Wat een feest. Wat een natuur. Op rivieren gevaren waar het zo hard regende dat de dieren in paartjes langs het water stonden om aan boord van onze boot te mogen. In het vliegtuig terug naar huis twee teken tussen mijn tenen vandaan gehaald. Verhalen over puisten waar kruipdingen uit kwamen. Weken geen alcohol gedronken. Alleen rijst gegeten met wat we vingen. Een Tapir zien zwemmen. Reuzeotters gezien. Ijsvogeltjes die je plug probeerde te vangen. Tijdens het scheiten een muggenaanval proberen af te slaan. De meeste doden vallen in het regenwoud door omvallende bomen.
    Gisteren op de Waal geweest. De hele dag in de striemende regen. Een barbeel en een winde van 67 cm. Mijn god, ik hoop zo dat ik het eeuwige leven heb.